elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: allijk

allijk , [geheel] , aallijk , aallik, alink, alik , (bijwoord) , wordt meest als voor geheel, ganschelijk gebruikt. , hij slikte die peer aallik op, dit boek is nog aallik. Minder als bijv. naamwoord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
allijk , [toch] , allijk , (voegwoord) , allijkewel, toch. Wie was dat allijk? wie allijk heeft ons het nieuws verteld? hoe allijk ging dat toen?
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
allijk , allijk , elijk, allijkes, lijkes , (allaik of ǝlaik, met klemtoon op laik) , (bijwoord) , Alleen gebruikelijk in vraagzinnen, als men te kennen wil geven, dat men zich iets van het gevraagde herinnert, doch er het rechte niet meer van weet. Ook, ook weer, ook soms. || Wanneer is ze allijk ’etrouwd? Hoe heet-i allijk? Heb jij ’et allijk ’edaan? Heb ik je dat allijk al ’ezeid? – Ook allijkes, d.i. allijk des. || Hoe was ’et allijkes? Wat zei-i toe allijkes? – Soms lijkes. || Wi, was dat ok lijkes? – Allijk is ook elders in N.-Holl. bekend (Taalgids I. 104; BOUMAN 3). Het woord was in de 17de eeuw en vroeger algemeen in gebruik in de oorspronkelijke zin van geheel en al; zie Ned. Wdb. I, 22 op allijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
allijk , [onverdeeld] , alik , geheel (niet stuk).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
allijk , allek , heel; ik moet ’n allekke mik koeëpe “ik moet een heel witbrood kopen”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
allijk , [geheel] , alik , 1. heel, niet (aan)gebroken 2. groot, zie ook gans, hieël , De roet waas gelökkig nog alik. Ich höb nog ein alik pekske bótter.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
allijk , alik , bijvoeglijk naamwoord , gaaf, geheel, heel, stuk, niet, vol
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
allijk , alik , onbeschadigd; ongeschonden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal