elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: amerij

amerij , amerij , (zelfstandig naamwoord) , oogenblik. Het duurt maar een amerijtje, wij zijn nu in een amerij thuis, het kind zit geen amerij stil. Men wil dit woord afleiden van ave-Maria d.i.: de tijd waarin men een ave-Maria uitspreekt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
amerij , ameroitje , ameri , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze in ’n ameroitje, in een oogwenk (verouderd). | We wazze in ’n ameroitje weer verom. Het woord is een verbastering van ‘Ave Maria(tje)’, d.w.z. een weesgegroetje. Hier met de bedoeling: in de tijd die nodig is om een Ave Maria(tje) te bidden. Vgl. Fries amerij.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
amerij , aemeri’je , ameri’je , zelfstandig naamwoord , de; amerij, kort ogenblik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal