elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: anders

anders , aêrs , (bijwoord) , anders. Alweer een aêr, dat is wat aêrs, aêrsom met de wielen, hij is altijd aêrs als een aêr. Verkorting van ander en anders.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
anders , ans , aens, aans , anders; Gron. ans.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
anders , ans , anders; ook Drentsch; is ’t ans nijt! = dat beteekent niets, dat is geene zwarigheid; niks ans! = zóó is het, als volledige instemming, stellige overtuiging; ’k heb ans genōg = ofschoon ik genoeg heb gedronken, zal ik, op uw verzoek, toch nog een kopje nemen; hij het ans niks leerd as (bv.) bakken = hij heeft niets anders geleerd dan het bakkersbedrijf; is’t ans nijt woar? = dit zult gij mij toch toestemmen. – Hierbij dient opgemerkt dat de n soms bijna niet gehoord wordt. Vgl. anders. Holsteinsch ans, anners. (Sommigen schrijven: ans (= als, indien); ook: an’s, zelfs an ’z ien = als zij in.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anders , anders , voor: echter, evenwel, niettegenstaande dat; as ie anders nog wat blieven willen, den, enz. = mocht gij echter besluiten uw vertrek uit te stellen, dan, enz.; ’t smoakt anders lekker (ofschoon gij er niet van eet); ’t is anders mooi weer (hoewel het koud is). Vgl. ans.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anders , anders , in: doar wōr ’k anders van = ik werd er door getroffen (fig.); doar wordt ’t anders van = dat verandert (het oordeel over) de zaak; mooi is anders! zooveel als: gij hebt gelijk, dat is allesbehalve mooi gehandeld; ook eig. = dat is leelijk; as ’t anders nijt is! = is ’t ans nijt! = wat praat gij, dat heeft immers niets te beteekenen! Vgl. ans.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anders , anders , op andere plaatsen, bij anderen, elders; hij komt anders narns = bij niemand anders, alleen daar; dat hei’e anders narns zoo = overal elders is dat anders.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anders , aârs , samentrekking van anders. Zie aar en vgl. Ned. Wdb. I, 576. || Hij is altoos aârs as ’en aâr. – Evenzo aârsom, enz. – Zegsw. Zeg maar hoe je ’t hebben wille, net aârsom ken-je ’t krijgen, ironisch, als iemand zijn eisen hoog stelt. – Vgl. nog een zegsw. op dansen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
anders , ans* , ook in: wat zegs’ tou ans? = wat zegt gij er van? denkt ge er ook niet zoo over?; dat ìs nijt ans = dat moet men erkennen: in het Ned. wel in de beteek. er is niets aan te doen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
anders , anders , andes , Tweedes. Bij het spelen hoort men dikwijls: Eerst! Anders! Da(r)des! enz.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
anders , aonders , aons , [ǭñs] , anders
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
anders , aans , bijwoord , anders. Non wordt’r aans, nu zijn er grote gebeurtenissen op til; aans worn, een andere gemoedsstemming krijgen; zik aans antrekng, zich verkleden, zich netjes kleden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
anders , aans , anders
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
anders , aârs , samentrekking van anders. | Weet je niks aârs? – Hai weet er aârs niet veul van of. Vgl. Fries oars. Zegswijze aârs as aârs weze, niet in zijn gewone doen zijn. – D’r aârs nach aârs van worre, er doodkalm of onverschillig onder blijven. – Altoid wat aârs of aârs hewwe, altijd iets bijzonders hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
anders , angesj , anders.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
anders , aans , anders.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
anders , aans , aanders, anders, aors , Ook aanders (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), anders (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën), aors (vs, dc) = anders Ik was aans wel even kommen, maor ik kun neit (Vri), Wij weet niet aans, of hij geet trouwen (Bei), Het is aans wal ’n klaore kerel, mar hij drinkt nogal voor het overige (Klv), Ik heb dat argens aans ok wal ies zien (Oos), Het smaokt nich best, man het is nich aans (Ros), Het is goed spul, dat is niet aans dat is gewoon zo (Sle), Een manskèrel was een manskèrel, maer een vrouwmens was heel wat aors (vs)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
anders , anders , (Kampen) anders. Ook: aanders (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
anders , eers , aers , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1. op een andere manier 2. op andere tijden 3. in andere omstandigheden, in ’t andere geval 4. om een andere reden, overigens 5. met andere eigenschappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
anders , aanders , aans , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1. anders 2. trouwens, tussen haakjes 3. overigens 4. indien niet 5. eigenlijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
anders , anderster , bijwoord , weer anders (overtreffende trap) Jij zeg wel dattut anders ken en hij weet het nog weer anders, maor volges mijn ken ’t nog anderster Je zegt wel dat het anders kan en hij weet het nog weer anders, maar volgens mij kan het nog weer anders
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
anders , aanders , anders , aanders VB: Ich kaom dao neet mie zoe vëul es aanders.; vroeger aanders VB: Ich kaom dao neet mie zoe vëul es aanders.; zoniet aanders VB: Ich wêl waol vreug hèivers, aanders kaom ich neet.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
anders , âânders , anders.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
anders , aanders , anders
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
anders , aanders , anders; aanderstom, andersom (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
anders , aarnst , aars, aarst, aors , anders.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
anders , anges , angester, angersters , anders , Det mós se angesters doon. Ich mót noe heives, anges bèn ich te laat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
anders , anges , 1. anders; ins zoeë anges – stukken beter, mooier; waat anges! – nou en of! 2. ook gebruikt als versterking van een bijv. naamw. of bijw.: det is anges fijn – dat is heel fijn; det is anges plezerig – dat is heel plezierig; det kinjtj tjer anges good – dat kan hij erg goed 3. hae kéék anges – hij keek heel opvallend
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
anders , angesters , bijwoord , anders (bijw.)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
anders , ângers , ângerser, ângerster, ânges, ângert , bijwoord , anders, op ‘n ângert, elders
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
anders , aanders , bijwoord , anders; Vruuger was et ammòl aanders. - Vroeger was alles anders .Cees Robben: niks aanders as ... ; zoo ist èn nie aanders; Cees Robben: mar wöròm zot ok aanders gaon; aanders gaode mar is ...; Cees Robben: agge me naa nòg nie gelêuft, maok ik oe wèl wè aanders wèès; Dialectenquête 1879 Kernkamp – aanders; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ze zòchte niks aanders as gèld; Van Rijen (1998): 'aanders, aanderst bijwoord - anders; vruuger waar ut ammòl aanders'; Grôot diktee van de Tilburgse taol - 2005: Vruuger waar dè wèl aanders
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal