elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ark

ark , ark , (vrouwelijk) , arken , een vaartuig op het drooge, tevens tot woning ingerigt. Meermalen wordt eene oude schuit op het land gehaald en voor woning gebruikt, men noemt ze dan ark. De naam doet aan Noach denken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ark , ârke , (vrouwelijk) , ârken , ark.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ark , arke , (vrouwelijk) , arken , ark.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ark , ark , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook: een oude, op het land getrokken schuit, die tot woonplaats is ingericht. || Ze wonen in ’en ark.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ark , arke , vrouwelijk , Ne arke vån ’n hüs: een kast van een huis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ark , ark , zelfstandig naamwoord de , Ook: afdak, aanbouwtje, hooiberg (verouderd). Uit Latijn arca = kist, kast.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ark , ark , arke, aarke, aark , arken , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook arke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), aarke (Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord), aark (Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = ark Die hef nog bij Noach in de ark ezeten gezegd van een zeer oud dier (Koe), Die hebt met Noach in de ark zeten van oude kleding (Bui), Die oolde haspel hef bij Noach in de ark zeten (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ark , ârke , ark, woonschip.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ark , ark , arke , zelfstandig naamwoord , de 1. woonboot 2. ark van Noach
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ark , ark , zelfstandig naamwoord , et 1. gereedschap, meestal van de boer, ook timmergereedschap 2. tafelbestek 3. graafwerktuig, nl. langwerpige, rechthoekige schop met lange, rechte steel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ark , errek , zelfstandig naamwoord , erreke , errekie , ark, woongebouw Ze weune in een errek, een huis met vijf kamers Ze wonen in een ark, een huis met vijf kamers (een ark is een langgerekt woongebouw dwars op de straat waarin meerdere afzonderlijke eenvoudige kleine woningen zijn aangebracht, dikwijls opgezet door de diaconie)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ark , ark , zelfstandig naamwoord , arke , erkske , 1. woonboot 2. ereboog of sierboog over de weg, opgericht t.g.v. de processie (Frans: arc)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ark , ârk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ârke , ereboog
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal