elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balkenbrij

balkenbrij , balkenbrij , Gruttenmeel, dik gekookt in rollenat (rolpensnat) of wel vleeschnat, en naderhand in plakken gesneden en in de pan gebakken. Balkenbrij is het zelfde als bokkenenbrij, hetwelk zie, met dat verschil, dat het eerste wordt gekookt uit gruttenmeel met vleeschnat; het andere alleen uit meel met water beslagen en een weinig zout; meer zal en durf ik er waarlijk niet van zeggen, om voor geen gastronoom of wel door de schoone sekse, zoo ze hier soms een spottend oogjen in mocht slaan, niet voor een Jan hen uitgekreten te worden, en ook om te dezer plaatse geen bijdragen te leveren tot een kook- of keukenboek, als bij v. Aaltje de zuinige keukenmeid, waartoe ik mij overigen (übrigens) ook gaarne onbevoegd erken. Het woord heeft zijn naam van het weleer ophangen dier brij aan de balken = balkenbrij, zoo als in het Navorschers bijblad, 1855, blz. 99 is uitgelegd. Op gelijke wijze laten zich de benamingen van hangop en nagelholt ook verklaren, zie aldaar.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
balkenbrij , balkenbrij , (mannelijk) , balkenbrijen , kooksel van allerlei afval van de slagt, met bijvoeging van eenige specerijen. Men maakt hier weinig gebruik van balkenbrij, omdat de wijze van toebereiding minder bekend is.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
balkenbrij , balkenbrîj , (vrouwelijk) , een mengsel van meel, lever, en allerlei van de slacht in het rollennat gekookt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
balkenbrij , balkenbrî , (vrouwelijk) , Ze werd vooral in November, den slachttijd, gemaakt en bestaat uit: meel (soms met krenten) in vleeschnat gekookt. De koud en vast geworden dikke brij wordt, aan plakken gesneden, in de koekepan gebraden. Limb. balkebrie O. V. II p. 211.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
balkenbrij , balkenbrî , (vrouwlijk) , als stofn. geen mv. Ze werd vooral in November, den slachttijd, gemaakt en bestaat uit: meel (soms met krenten) in vleeschnat gekookt. De koud en vast geworden dikke brij wordt, aan plakken gesneden, in de koekepan gebraden. Limb. balkebrie O. V. II p. 311.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
balkenbrij , ballekenbréêj , m , balkenbrij, hoofdkaas.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
balkenbrij , balkebrie , mannelijk , balkenbrij.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
balkenbrij , balkenbrééj , balkenbrij.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
balkenbrij , balkebraaj , zelfstandig naamwoord , balkenbrij. Een gerecht dat wel niet typisch Biks is, maar wel in heel Brabant gemaakt en gewaardeerd wordt en dus ook in Beek. Hij wordt vooral na de slacht gemaakt uit vleesnat, stukjes vet, boekweit, meel en rommelkruid. Vroeger werd hij in een doek geknoopt aan een balk opgehangen. Vandaar de naam.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
balkenbrij , balkenbrij , zelfstandig naamwoord , meel in vleesnat gekookt, aan plakken gesneden en gebakken (KRS: Hout; LPW: Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 34). Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht . Volksetymologische verbastering van het Middelnederlandse gebalchte (‘darmen, pens’) en balch (‘buik’).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
balkenbrij , balkenbrie , balkenbrij.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
balkenbrij , balkenbriej , balkenbrij: gerecht bestaande uit lever, boekweitmeel, long, kaantjes en kruiden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
balkenbrij , balkenbrij , de , een in Drenthe niet algemeen bekend meelgerecht, waarin soms ingrediënten van de slacht meestal die voor de leverworst of het nat ervan zijn verwerkt, maar waarmee soms ook alleen een soort pap wordt aangeduid, al dan niet smakelijk gemaakt met krenten, rozijnen, bastaardsuiker, kaneel of stroop.
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balkenbrij , balkenbri’j , balkenbrij
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
balkenbrij , balknbriej , balkenbrij.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
balkenbrij , ballekenbraoj , balkenbrij , Ballekenbraoj meej boekende mèèl dés'ser nie mér, nouw is't vórt gewóón mèèl. Balkenbrij van boekweitmeel dat is uit de tijd, nu is het gewoon ander meel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
balkenbrij , balkenbri’j , zelfstandig naamwoord , de; verzamelnaam voor bep. pap, die vooral gemaakt werd na de slacht (de benaming is ook bekend uit bep. Nedersaksische gebieden elders)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
balkenbrij , balkenbri’j , (zelfstandig naamwoord) , balkenbrij (streekgerecht).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
balkenbrij , balkebriej(e) , balkenbrij ook kerbt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
balkenbrij , bâlkebri-j , zelfstandig naamwoord, mannelijk , balkenbrij
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
balkenbrij , balkenbraaj , zelfstandig naamwoord , "PVb balkenbrij; Cees Robben - Pietje.. lustte iets van ’t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klöfkes.../ Kienebak soms uit de nek...  (19550205); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): BALKEBRAAJ zelfstandig naamwoord balkenbrij; Sjef Paijmans - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij... Herinneringen aan mijn jeugd (2000); Piet van Beers -; De stinpöst; Gaode èfkes langs de slaager...; komde ok nòg op de mèrt?; Zurgt dan vur wè platte ribbe; èn wè praaje vur de snèrt .Vier ons... vèrse wòrst èn peeje...; doet er mar wè jèùne bij .'n Bèkske zult 'n half pond kaoje; èn tweej schèève balkenbrij . Op dieet; Soms lig ik naachtelang te drôome; van BLOEDWORST BALKENBRIJ èn ZULT .Mar... DIE-EETE dè is NIE-EETE; zeej ""Ons Kee""...èn dan zèède ötgeluld . Van ’t vèèrreke – 58 jaor terug; ’n Stuk ribstuk , ’n hil pan worst èn; ok tweej komme vol meej zult!; Balkenbrij, vier flèsse braoivlees; himmel tot de raand gevuld!; Jan Naaijkens - Het dorp van onze jeugd (1999) - Hoe ze de puntbuilen, die aan een spekhaak hingen, vulde met suiker of 'boekende meel' voor de balkenbrij en die zorgvuldig en bedachtzaam afwoog op een blinkend koperen dubbele schaal .Ed Dalderop - Pro Memorie (CuBra) - De reputatie van de slager berustte voor mijn moeder voor het grootste deel op zijn prachtige balkenbrij, “de echte, met rommelkruid”, en een beetje op zijn ooit behaald diploma voor de aanlevering van de beste vaars van 1939. “Vette vaars met zes tanden"", vermeldde de Gotisch-geschreven akte, plechtig opgehangen in de winkel .De kèrmenaoj, de platte ribbe, de zult of krèp, et zwoert èn spèk. Toe den hiel aon toe. Durreege spèk èn ballekebraaj. Et smòdderpötje. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); WNT BALKENBRIJ - benaming van een zekere spijs, die in verschillende streken, b.v. in Gelderland, gedurende den slachttijd wordt gegeten...; zie Zie Dossier Balkenbrij"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal