elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: belabben

belabben , [kwaadspreken van] , belabben , (transitief werkwoord) , van iemand kwaadspreken, lasteren, labben, klappen, babbelen. Het is eene regte labbekak, die altijd den mond vol heeft van een ander te belabben.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
belabben , belabbe , werkwoord , Beroddelen. Vgl. Middelnederlands belabben = bevuilen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
belabben , belabben , (Gunninks woordenlijst van 1908) belabben (kwaadspreken van)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal