elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: belabberd

belabberd , belabberd , zegt men hier in den dagelijkschen omgang voor haveloos, bevuild. Voor het overige hoort men het meest in eenen overdragelijken zin, bijv. Het ziet er
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
belabberd , belabberd , (bijvoeglijk naamwoord) , belebberd, belemmerd, gebrekkig, stuitend. Het is een belabberd redenaar, een belabberd werk; een belabberd paard of ander dier is een dier dat gebrekkig is en daardoor niet aan den eisch kan voldoen. Men gebruikt dit woord hier doorgaans in de beteekenis van gebrekkig, lastig en onaangenaam.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
belabberd , belapperd , naar, ellendig, beroerd; ’t is ’n belapperde boudel, – kerel, enz. Vgl. lapperd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
belabberd , belabbert , belabberd, naar, beroerd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
belabberd , belabberd , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , belabberd Ik vule mij belabberd beroerd (Eli), Een belabberde toestaand (Wsv), Bi’j belabberd bedonderd (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal