elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bentelen

bentelen , [slenteren] , bentelen , (intransitief werkwoord) , heen en weder loopen, noodelooze bezoeken afleggen. Men zegt het vooral van vervelenden en lastigen aanloop van venters en bedelaars. Dat is een gebentel aan de deur, langs de straat bentelen. Zie op flenteren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bentelen , bentelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Langs de straat slenteren; veelal in ongunstige zin (de Wormer). || Je ken wel zien, dat ’et mooi weer is, er wordt je me wat ’ebenteld. Een fatsoenlijke meid loopt niet zo’n hele avond langes de straat te bentelen. – Ook in Waterland (BOUMAN 8). In het Ndd. is bentern gebruikelijk voor onrustig heen en weer lopen van kinderen. Zie DE JAGER, Freq. 1, 19. – Vgl. bentel, bentelgat, bentelkonten en gebentel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bentelen , beanteln , werkwoord , stoeien, ravotten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bentelen , bentele , werkwoord , Op straat zwalken, er op uit zijn. Vgl. Zuidnederlands bendele = in bendes rondzwerven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal