elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besjacheren

besjacheren , besjaggelen , (transitief werkwoord) , bedriegen, beslenteren, beet nemen, iemand in de kleeren steken, op eene listige wijze het geld uit den zak kloppen; aan de jodentaal ontleend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
besjacheren , besjaichêln , besaichêln, beschaichêln , in kleinigheden bedriegen, foppen, dat dan ook gewoonlijk niet erg wordt opgenomen. Kil. beseycken = bepissen. Vgl. beschijten (fig.).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
besjacheren , besjachêrn , bedriegen; ook: door schacheren verdienen. Van: schacheren, en dit van het Hebreeuwsche sachar, rondgaan, bepaaldelijk om handel te drijven, handel drijven; Jodenduitsch saucher, socherer = koopman. (R. Dozy, Oosterlingen, bl. 81.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
besjacheren , besiggelen , bezaggelen , (zwak werkwoord, transitief) , Beetnemen, bedotten. || Wees niet bang, ik zel je niet besiggelen. Ze hebben je besiggeld, hoor. – In de Wormer gebruikt men in dezelfde zin bezaggelen. Dat’s ’en kwaje koopman, hij heb er al heel wat bezaggeld. – In de Beemster zegt men besjaggelen (BOUMAN 9). Evenzo in het Fri. besjaggelje. Het woord is wellicht aan de jodentaal ontleend. Bezaggelen zou echter ook kunnen betekenen maken dat iemand gaat zaggelen; zie saggelen. Vgl. voorts besjoecheld. In het land van Kuik zegt men seggelen voor twisten, kijven, onder het spelen of bij het maken van overeenkomsten (Navorscher 10, 89).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
besjacheren , beskaggere , werkwoord , Bijeenscharrelen, verzamelen, verdienen. | Hai weet altoid wel wat te beskaggeren. Uit Bargoens beschacheren of besjacheren = al sjacherend of handelend opdoen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
besjacheren , besjacheln , besjachern , Ook besjachern (Kop van Drenthe) = bedriegen Die kerel het mai mooi besjacheld (Pei), Hij hef hum laoten besjacheln (Hol), Pas op dat e je niet besjachelt, ik vertrouw hum maor half (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
besjacheren , besjachelen , werkwoord , bedriegen, belazeren, besjoemelen, vooral: in financiële zin
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal