elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bessel

bessel , [plooi] , bessel , (vrouwelijk) , bessels , plooi of vouw in een vrouwenrok of kleed. Zij heeft eene bessel in haar japon genaaid, omdat dat kostbaar kleedingstuk te veel langs de straat sleepte. Vandaar opbesselen, verbesselen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bessel , bessel , bestel , (bəssəl) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Oprijg, opnaaisel in een vrouwenrok, een ingenomen zoom midden in de rok, om deze te verkorten en later te kunnen uitleggen. || Die rok is me veuls te lang, ik zel der maar ’en bessel in maken. – Evenzo in N.-Holl. Bessel is ontstaan uit bestel. In Friesl. spreekt men van bestelthried, besteldraad, en kent men nog het werkwoord bȇzje (volgens HALBERTSMA 348 ook beste, biste), een zoom op een kleed naaien. Evenzo Mnl. besten en Eng. to baste, rijgen, los opnaaien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bessel , bessel , besseltje , zelfstandig naamwoord ’t , Bestel(letje), oprijg of opnaaisel. Vgl. Fries bessel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal