elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bitterzoet

bitterzoet , bitterzoet , (onzijdig zonder meervoud) , kwalster (sol. dulcamara), eene plant die men hier dikwijls in de koppen van oude wilgenboomen aantreft, en die door sommigen om de zoeten nasmaak gekaauwd wordt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bitterzoet , bitterzuut , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = bitterzoet Dat is een bitterzute boom gezegd van een bepaalde appelboom (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bitterzoet , bitterzute , bitterzoet: tegelijk bitter en zoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal