elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blouwen

blouwen , blaauwen , (intransitief werkwoord) , blouwen, beuken, kloppen, de armen herhaaldelijk over elkander slaan. om zich warm te maken. Het moet eigenlijk zijn blouwen, waarvan het bijvoeglijk naamwoord blaauw is afgeleid.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
blouwen , blouwen , de armen over elkaar slaan om warm te worden; beuken (Leiden), vuur slaan (Rotterdam).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
blouwen , blouwe , werkwoord , (verouderd). Zie beuke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal