elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boede

boede , boet , (vrouwelijk) , boeten , schuur; varkensschuur, varkensboet. Het varken is in de boet. Bij schier ieder boerenhuis vindt men op hetzelfde erf een kleiner gebouw, dat men hier meestal schuur noemt; enkelen zeggen boet onzijdiga. in Drechterland. Vroeger stonden de boeten of schuren geheel over het water en waren alleen van hout gemaakt; nu echter staan zij genoegzaam alle op het erf, en zijn grootendeels van steen gebouwd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
boede , boe , bo, boeën , hut of stal in het veld tot tijdelijk verblijf van het vee, o.a. bij Schoonebeek. Uit deze veestallen, zijnde sporen van ’t oude Nomadenleven is de boerschap ontstaan, o.a. Nieuw-Schoonebeek. Podagr. I, 140. Bij de vruchtbare graslanden aan het Schoonebeker diep hebben de boeren hunne boën of boeën, zijnde hutten of stallen voor jong vee van ruwe boomstammen en plaggen opgeslagen. In of bij deze boën blijft het vee gedurende ’t geheele jaar, met uitzondering van eenige weken midden in den winter, en wordt bewaakt door één man voor iederen stal, welke tot zijn onderhoud eene melkkoe bij zich heeft en eenmaal in de week naar zijn boer of heerschap gaat om zich van brood, spek en verdere benoodigdheden te voorzien. Die bewakers heeten boheer, boeheer, beestheer of beestenheer. In Osnabrück is: boe, een klein boerenhuis; in Dithmarssum boos = veestal. Zie ook: . Meerv. boën, boeën.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boede , budje , soort van spanen doos, gewoonlijk door onze schippers uit den vreemde als geschenk meegebracht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boede , boe , Bij van Bolhuis: de boe = een afdak waaronder men stookt, een snuiver. Vgl. bij Verdam: boede, bode, buede, Middel-Hoogduitsch buode, Hoogduitsch Bude. Verkleinwoord boedekijn, samengetr. boeikijn, boyken. Een klein huisje, meestal een houten gebouwtje; loods, schuur, keet; hutje, huisje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boede , eerdbod , (eerbòt, met klemtoon op eer) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Vierkante houten bak op lopers, om aarde over het land te brengen (de Wormer). De eerdbot wordt getrokken door een paard. Het woord is een samenstelling van eerd, aarde, en bod, bodde. Vgl Oost-Fri. budde, ein auf einem kleinen Schlitten stehender viereckiger offener Kasten oder Behalter, womit Unrath und Dünger aus dem Stall geschafft und Erde übers Grünland gefahren wird. Ndd. drekbütte, Unrathskasten, worin man den Unrath sammelt und in den Dreckwagen ausstürzt. Hetzelfde woord komt in verschillende betekenissen in de meeste Germ. talen en ook in het Romaans voor; zie FRANCK op but, KOOLMAN op budde. Vgl. voor het Ned. nog: bodde j. botte, corbis dossuaria, orca, vas, (KIL.), botte, rugmand, draagkorf; but, bierkan, houten vat, draagkorf, (VAN DALE). Zie bodde.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boede , boed , boet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meerv. ongebruikelijk. Kleine schuur bij de boerderij of achter het huis. Zie Ned. Wdb. III, 51 vlg. || De varkens in de boed brengen. Haal effen ’en emmer uit de boed.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boede , boet , zelfstandig naamwoord de , Schuur(tje), loods, meestal vrijstaand en van hout. Men onderscheidt o.a. de volgende boeten of boetjes: bouwersboetje, fietseboetje, veldersboetje, peerdeboet, skeipeboet, goiteboet, toeteboet, koôlboet. De oorspronkelijke vorm was boed of boede. Het woord hangt samen met het werkwoord bouwen. Zie het N.E.W. onder boedel, dat een afleiding is van boed(e) of boet. Verkleinvorm boetje, in de zegswijze ’t is vol in ’t boetje, gezegd als in een kleine ruimte veel mensen bijeen zijn. – In z’n boetje bloive, zich buiten schot houden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boede , boe , mannelijk , buu , buuke , gebouw of in aanbouw zijnd gebouw. Went de boe vaerdig is, zuut me de faeldẹsj.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boede , boet , vrouwelijk , boete , buutje , keet. Blief mich oet de boet: blijf uit mijn huis.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boede , boe , bo, bouw , boes, boeën , (Pdh, Scho). Ook bo (Zuidoost-Drenthe), bouw (Nsch) = stal voor vee voor tijdelijk verblijf bij Schoonebeek
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boede , boete , boede , boeten , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook boede (Veenkoloniën) = primitieve woning op bovenveen Ze hadden niet veul onderkomen; ze woonden in de boeten (Hgv) 2. houten keet Wie schoften in de boede (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boede , boej , bôj , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , boeje, bôje , bujke , huis , boej (mnl. 'boede': vervallen huis) VB: Kom mich neet mie ién de boej.; bôj (ongunstige betekenis)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal