elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boelhuis

boelhuis , [veilinghuis] , boelis , (onzijdig) , boelissen , boelhuis, verkooping. Groot boelis, klein boelis, boelisje, boelissen, d.i.: te boelhuis gaan, boelhuis houden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
boelhuis , boulhuus , (Stad-Groningsch) = boelhuis, venduhuis. Middel-Nederlandsch boedelhuus, boelhuys. Verkooping van roerende goederen in een sterfhuis. (Verdam.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boelhuis , boȇlhuis , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie zegsw. op bijt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boelhuis , boéles , zelfstandig naamwoord de/’t , Boelhuis, publieke verkoping van een boedel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal