elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bollebuis

bollebuis , [gebak] , bollebuis , (vrouwelijk) , bollebuizen , poffer, zeker gebak. Bollebuisjespan, bollebuisjeskraam. Men bakt ze in zoogenaamde bollebuisjespannen, met holronde vormen. Een ander gebak noemt men boffer, zijnde meer plat en iets grooter; deze worden gebakken in de pannekoekspan.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bollebuis , bōmbaiske , bōmbuisie, bōlbaisie, bōlbuisie, bōlbuisje , broedertje, poffertje. Noord-Holland bollebuisjes; Oostfriesch belbeusken, bollbeusken, bullbeusken; Westfaalsch borboͤsken. (Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch ballebuize, bollebuize = een appel rondom in deeg gewenteld en alzoo in den oven gebakken en gebraden.) Bij Rotgans: bollebuisjenskramen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bollebuis , bollebuis , bullebuis , (bolləbois) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meest in verkl. bollebuissie. Poffertje. – Ook in samenstelling bollebuisjeskraam, bollebuisjespan, 1 bollebuyspantje, Hs. invent. (Krommenie a° 1796; prov. archief). – Zie verder Ned. Wdb. III, 305.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bollebuis , bollebuisie , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Poffertje. 2. Goedig, dik mannetje. 3. Rare sinjeur. Het woord bollebuis is een koppeling van het bijvoeglijk naamwoord bol en van buis dat, evenals ‘boos’, tot een oud germaans woord behoort dat ‘opblazen, zwellen’ betekent. Meervoud bollebuisies, o.a. in samenstellingen als bollebuisiespan, bollebuisieskraam. Zegswijze dikke bollebuisies weze, dikke vrienden zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bollebuis , bolbuis , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = levensgenieter
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bollebuis , bollebuisies , bollebuizen , meervoud , 1. gebak 2. hetz. als buustpannekoeke 3. dikke maatjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal