elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buls

buls , [tochtig, bronstig] , bulsch , (bijvoeglijk naamwoord) , rijdend, stoeisch, togtig, stierziek, de koe is bulsch, zij wil rijden, d.i.: zij verlangt van den stier besprongen te worden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
buls , bōls , bōlsch , bronstig, tochtig, van koeien gezegd, eigenlijk zooveel als: naar den bōl verlangende, Gron. bōls, bōlsk, spilsk, Overijs. bollig, Friesch duinsch, Neders. Holst. bullen. Zie: varig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buls , bōls , bōlsk , (Ommelanden) = spilsk (Oldampt) = willîg = tochtig, bronstig, van koeien; ʼt laatste ook van paarden. Drentsch bolsch, spillig, Overijselsch boltig, West-Vlaamsch bollig, Kil. bolle, bulle = stier. Oostfriesch spillig, spilsk, spölsk; Nedersaksisch bullen = naar den stier verlangen, ook Holsteinschspilsk staat voor: speelsch, in den zin van: dartel. Zie: bōl.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buls , bols , zelfstandig naamwoord, bijwoord , tochtig, van koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
buls , bols , tochtigheid bij koeien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buls , bols , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. tochtig zijn van koeien Wij hebt een jong beest, dat bols is (Rol), Wij moet eerst die bolse koe even anbinden, veurdaw de aandern vastzet (Sti) 2. brutaal (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat is dat een bolse kerel (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal