elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bommerd

bommerd , bommert , (mannelijk) , bommerts , bom, groot brok. Dat is een heele bommert, iets wat in zijne soort groot van stuk is, ook wel wat groot van omvang, maar van binnen hol is. Een groote beet, maar kleine kaauw.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bommerd , bommerd , (bòmmərt) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Iets dat groot is in zijn soort. || Kijk ers wat ’en bommerd van ’en appel. Nou hoor, ’t is ’en bommerd. – In Waterland ook van iets, dat groot van omvang, maar van binnen hol is; van eten b.v. een grote beet, maar een kleine kauw (BOUMAN 15). – Vgl. Ned. Wdb. III, 323 op bom.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bommerd , [kanjer] , bommerd , kanjer, iets dat groot is in zijn soort.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
bommerd , bommerd , zelfstandig naamwoord de , Iemand die of iets dat groot of grof in zijn soort is. Zegswijze ’n bommerd mit geluid, een kaas die bij het bekloppen met de gesloten vuist niet goed klinkt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bommerd , bäömert , mannelijk , bäömesj , bäömerke , bolhoed.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bommerd , bäömert , mannelijk , bäömesj , mandenhersteller.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bommerd , bommerd , bom, bomme , bommerds , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bom (Zuidoost-Drents zandgebied), bomme (Midden-Drenthe) = 1. dikke stuiter Wij knikkert met een bom (Man) 2. cirkel, waarin knikkers stonden bij het bommen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Bomme, dat was een ronde kring, waor de neuten in stunden, die men der oetscheten of inscheten mus (Bei), zie ook bammer(d) 3. groot persoon, dier of ding (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Wat een dikke bommerd van een stien (Zdw), ... een appel (Bal), ... een meid (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bommerd , bommerd , zelfstandig naamwoord , de; grote sloot of wijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bommerd , bommerd , zelfstandig naamwoord , bommers , [O] groot in zijn soort Die errepels binne nie lekker, ’t zijn allemael zukke grôôte bommers Zie ook knoert, knaster
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal