elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bontje

bontje , bontje , (onzijdig) , bontjes , voorschoot, boezelaartje van gestreept, geruit of effen blaauw of rood katoen of linnen, niet te verwarren met slobje. Meisje met je bontje voor.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bontje , bōntjes , zie: bōntgoud. Annonce: “Van af heden opruiming van alle aanwezige Bontjes.” (Warfum, Juni 1894).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bontje , büntjen , Bontje: gemarmerd papier, dat voor omslagen van boeken gebruikt wordt.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bontje , bontje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie bon.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bontje , [gemarmerd papier] , büntjen , Bontje: gemarmerd papier, dat voor omslagen van boeken gebruikt wordt.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bontje , bontje , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: katoenen voorschoot, soort boezelaartje van een fijnere stof en meer versierd dan een ‘boezel’ of ‘slob’ (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Bontje , Bontje , veel gebruikte eigennaam voor een (kalf)koe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bontje , bontien , het , bonties , zwartbonte koe Bertus hef het melken eleerd onder het bontien (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal