elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boômhul

boômhul , [hoofddeksel] , boomhul , (vrouwelijk) , boomhullen , linnen muts, een vrouwenhoofddeksel. Voor een halve eeuw was de boomhul hier nog in gebruik, althans bij sommige vrouwen, zijnde met een zoogenaamde wevenkant omboord. De naam komt van boom (bodem) die er in genaaid werd; later veranderde men den vorm, liet den bodem weg, en hechtte de zijstukken met een naad aan elkander. Zie hul.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal