elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brijzuipen

brijzuipen , [pap eten] , brijzuipen , (transitief werkwoord) , brijëten, papeten, voor 30 à 40 jaren was het woord brijzuipen hier ten platten lande nog vrij algemeen in gebruik, men sprak van rijstebrij, gortebrij en meelpap, in melk, karnemelk of wei gekookt, waarvan een smakelijk en voedzaam zuipen werd toebereid. Ofschoon men thans vrij algemeen brijëten zegt, hoort men toch, vooral in den oogst, als hier vele Duitschers aan den arbeid zijn, het oude woord zuipen nog dikwijls gebruiken. Neemt men dit woord op in den zin van zwelgen, zuipen als een beest, dan is het leelijk; maar verwant met suppe, sop, soep, dat ons aan Suppenfreundschaft doet denken, dan klinkt het zeker minder stuitend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
brijzuipen , braaizuipe , werkwoord , Brij of pap eten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal