elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bunzig

bunzig , bunzig , bevreesd, benaauwd. Meer dan eens heb ik de uitdrukking: hij is te bunzig om dat te doen of eene dergelijke gehoord. In denzelfden zin is dit woord ook in Zuid-Beveland gebruikelijk. Zie Nieuw Mag. van Ned. Taalk. II. bl. 219.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
bunzig , bunzig , (bijvoeglijk naamwoord) , bevreesd, angstig, beschroomd, bang, dit woord geeft vrees en wantrouwen te kennen; hij is er bunzig voor, ik was er lang bunzig voor dat het niet zou gelukken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bunzig , bunzîg , (Hunzegoo) = bevreesd, bang, angstig, (ook Dordtsch); “’k Moak mie aorig bunzig da ’k mien luk nustje geld, daor wie alle daogen zoo om schrippen en knooien mozzen, kwiet worren zol.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bunzig , bunzig , (bijvoeglijk naamwoord) , Bang, bevreesd, beschroomd. || Je moet niet zo bunzig wezen; hij zel je niet opvreten. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 19) en verschillende Z.-Holl. plaatsen (zie OPREL 50), alsmede in Gron. (MOLEMA 63).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bunzig , bunzig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Bang, bevreesd. 2. Riskant. | Je loike wel ’n beetje bunzig. | Die zaak loikt moin te bunzig. Misschien is het woord verwant met bunzing, een dier dat zeer schuw is en bij gevaar een zeer onwelriekend vocht afscheidt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bunzig , bunzig , bijwoord , 1. angstig (KRS: Lang, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Voor die blauwe envelop in z’n brievenbus, daar is-ie bunzig voor.’ (Werk). Met deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 38) en Gouda (Lafeber 1967, p. 77). Ook elders in Zuid-Holland wel in gebruik, blijkens het voorkomen in de roman De jacobsladder van Maarten ’t Hart (Amsterdam 1986, p. 107). Van Veen (1988) schrijft dat bunzig in Zuid-Holland nog sprinlevend is, maar ook elders (Noord-Holland, Groningen, Zeeland) wel voorkomt. 2. (bw) (van weer gezegd) slecht: koud, nat, regenachtig (LPW: Bens). Opvallend betekenisverschil met het (vrijwel) identieke *b(r)unstig.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bunzig , beuzeg , buñzeg , bijvoeglijk naamwoord , bang, bevreesd, afkerig Stempelaaiers hebbe me nooit gegeete; daer waere me een bietjie beuzeg van Gestempelde eieren hebben we nooit gegeten; daar waren we een beetje afkerig van Ook bunzeg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bunzig , bunzig , (bijvoeglijk naamwoord) , bang.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bunzig , bunzig , bang
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal