elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: busken

busken , busken , (transitief werkwoord) , maaijen, grasbossen met de zeis wegnemen, gelijke weide maken. Als de weide te ruig wordt, zoodat er oude bossen gras blijven staan, dan maait men die met de zeis af, dat heet men busken, en het afgemaaide gras tot hooi gedroogd, noemt men buskhooi.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
busken , buske , werkwoord , ‘Busk’ maaien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal