elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buur

buur , buur , tiek van een bed.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
buur , buur , (mannelijk) , buren, buurman, buurvrouw, nabuur, die het naaste bij wonen noemt men de buren. Hier op het platteland strekt de buurtschap zich verder of korter uit, al naar mate de huizen verder of korter van elkander geplaatst zijn. Het spreekwoord zegt: “goede buren zijn beter dan verre vrienden,” dat wil zeggen: van naburen waarmede men in goede harmonie is, kan in ongelegenheden dikwijls meer hulp en dienst genoten worden dan van bloedverwanten die verre af wonen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
buur , boer , boeren , de gezamenlijke bevolking van een dorp of buurtschap (boerschap); we laot oeze knechter ’s aovonds te veel in de boer loopen = – naar het dorp gaan; mit de pasplanke en mit ’t parsiezer in de boer eloopen te hebben = – bij de boeren geweest zijn te kleermaken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
buur , [tijk van een bed] , bü̂re , (vrouwelijk) , tijk van een bed.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
buur , bü̂re , (mannelijk, vrouwelijk) , tijk van een bed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
buur , boeren , officieel buren, in plaatsnamen als: Kloosterboeren; Pijterboeren; Kroddeboeren; Aiberboeren; Siddeboeren; Bovenboeren; Uterboeren
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
buur , buur , berbuur *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
buur , buur , beddezak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
buur , buur , zelfstandig naamwoord de , Buur. Vaak aanspreekvorm voor een buurman of buurvrouw, soms ook voor anderen. Vooral vroeger kwam ‘buur’ vaak voor als tweede lid in samenstellingen, zoals: Jánbuur = buurman Jan; Aáltjebuur = buurvrouw Aaltje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buur , buur , de , buurman Het gef er niks um, mor wij hebt er altied een goeie buur an had (Hijk) *Een goeie buur is beter as een verre vriend (Bei), zie ook naober
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buur , buur , de , buren , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = beddek Dat ber is niet al te best meer, der mot neug een neie buur um (Eex), zie ook beddebuur
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buur , bure , (Gunninks woordenlijst van 1908) buur
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buur , buur , bure , zelfstandig naamwoord , de; buur, buurman of buurvrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal