elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dagen

dagen , dagen , (intransitief werkwoord) , het zal er dagen, er zal wat gebeuren, het zal er fiks bij langs gaan, hij zal gestraft worden. Misschien van dagge, korte dagen, of wel een end touw waarmede men de schepelingen straft.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dagen , dagen , (zwak werkwoord) , In de zegsw. het zal er dagen, er zal wat gebeuren, er zullen klappen vallen. || Pas op dat je ’t niet weer doene (doet) of ’et zel er dagen! – Evenzo verderop in N.-Holland. In de 17de en 18de e. was de uitdr. in Holl. algemeen; zie OUDEMANS, Wdb.op Bredero 78.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dagen , dagen , (zwak werkwoord, intransitief) , Met een lederen riem centen naar een zeker doel langs de grond voortslaan. Jongensspel. Zie daagleer, daagriem. – Vgl. Fri. daegje, steentjes of centen naar een doel werpen (projicere), HALBERTSMA 602. Een soortgelijk spel zal ook wel bedoeld zijn in Handv. v. Ench. 375: Wijders sal niemant ... mogen spelen met de Kaert, Teerlinghen, Duyten, of eenigherhande Munten, nochte oock Kruyssemunten, na te leggen, op-werpen, omme-hutselen, daggen, ofte andersins mogen dobbelen (a° 1646). – Het woord zal wel verwant zijn met Ned. dag (bij VONDEL dagk), eind touw tot afstraffing van matrozen, en Eng. dag, reepje, schoenveter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dagen , dage , werkwoord , in de zegswijze ’t zel er dage, het zal er spannen, te keer gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dagen , daegn , dag worden. ’n Half uur veur zunsopgank begint ’t te daegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dagen , daegn , dagen (werkw.). Hie wil ’m veur ’t gerech daegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dagen , daegen , werkwoord , 1. dag worden, licht worden 2. het gaan begrijpen, het beginnen te doorzien 3. de oplossing, licht aan het eind van de tunnel zien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dagen , daege , werkwoord , daege, daegde, gedaegd , dagen Nae drie keer uitlegge begint ’t bij ‘m te daege Na drie keer uitleggen begint het bij hem te dagen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dagen , daoge , werkwoord , daogde, gedaog , dagen , VB: Jao, wie ste mich noé oétleks, noé begênt 't mich te daoge.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dagen , daag , dagen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dagen , [ongesteld] , daege , de daege hebben, ongesteld (wezen).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dagen , daoge , zwak werkwoord , daoge - daogde - gedaogd , & zelfstandig naamwoord meervoud van 'dag'; dagen; 1. werkwoord, zwak; dagen; - geen vocaalkrimping; 2. zelfstandig naamwoord meervoud - dagen - vroeger ook 'daog'; - alle daog [alle dagen, elke dag; altijd]; - virtien daog [veertiend agen; twee weken]; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'we eeten alle daoge spèk', zi den boer, 'èn vrèddags spèk meej spèèle' (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) (= vis); Cees Robben – Nao al ’t zuut der vurrige daogen/ ’t zilte naa op oewen dis..... (19540306); Cees Robben – Zeuve daoge “toepertoe”.... [namelijk op de kermis] (19540814); Cees Robben – Meej vrije daogen en kaoj weer dan rôôket bij ons thuis... (19650507); Cees Robben – [Een landbouwer spreekt:] Drie daoge luiplocht... (19711015); Cees Robben – ’t Was alle daoge vruug koesjee (19670428); Cees Robben – Zeuve daoge banjerheer....!!/ Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814); Cees Robben – Virtien daoge op sjanternel.. Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]; Cees Robben – Over twee daog is ’t pèèrd kepot... (19730316); Cees Robben – Dertig daog (19780609); D. Boutkan: alle daog(e) - elke dag ; virtien daog - veertien dagen; – al zen daoge - beslist, vast en zeker: Ik gelêûf et al zen daoge. Dialectenquête 1876 - in zeuve doage; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis vort daoge tèllen èn de touwe lòs (JM'50) - Ontboezeming van iemand die het niet lang meer zal maken. Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en Tilburgs pròtje duurt mar drie daoge (SV'75) - Roddelpraat duurt niet lang; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – daog - dagen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal