elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deinen

deinen , dijnen , (transitief werkwoord) , denen, doordringen, doordrijven, het is een dijner, een koppig dier dat maar immer stijf blijft doordringen, het dijnt of deent maar toe; van daar dijnoor, deenkop. Zoo ook gebruikt men dit woord om een lastig gevoel, eene pijnlijjke aandoening aan te duiden; het dijnt maar altijd door, het is zoo een gedurige dijning.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
deinen , dienen , opzwellen, uitzetten, van eenig vleezig gedeelte van het lichaam. Friesch. dynen, Gysb. Japix tynen, Middel-Nederlandsch dynen = uitdijen; Oostfriesch dinen, Hoogduitsch sich dehnen = opzwellen, Nedersaksisch dunen = opzwellen, zwellen. Verwant met het verouderde: deinen = golven; deiningen = het op- en nedergaan der golven, bij Kil. dyninghe, deyninghe, alsmede met: dons, (Groningsch duun, doen.) Vervoeging: diende, diend (Oldampt, Westerwolde) = dōn, dōnnen (Ommelanden)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
deinen , denen , (zwak werkwoord) , Alleen in de samenst. doordenen en toedenen, doordrijven, koppig doorzetten, toedringen (de Wormer). Zie deinen en vgl. deenkop.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deinen , deinen , (zwak werkwoord, intransitief) , Steken met een knagende pijn; b.v. van het onaangename gevoel dat men heeft in een zwerende vinger. Synon. zangeren. || Me vinger deint zo.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deinen , deinen , (zwak werkwoord) , Daarnaast denen. Alleen in de samenst. doordeinen en toedeinen, doordrijven, koppig doorzetten, toedringen; van mensen en dieren (de Wormer). Elders zegt men in dezelfde zin doordeunen en doordeinzen. || Hij deint maar door. Dat kalf deent maar toe. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 21). – Vgl. deiner, deinoor, deenkop. Deinen, denen en de synon. deunen en deinzen zijn waarschijnlijk verwante woorden; zie FRANCK op deun en deinzen. Evenals het bij deunen behorende bijvoeglijk naamwoord deun de zin heeft van schriel, gierig, zo hadden ook dein en deen vroeger deze betekenis. Vgl. KIL. deyn, euclio, homo avarus, sordidus; deyn, Fland. j. korenbijter, dardanarius. Dit dein, gierigaard, hatelijk persoon, komt in 16de- en 17de-eeuwse geschriften herhaaldelijk voor; zie OUDEMANS 2, 46. – Deen in de zin van vrek vindt men in het Leidse Hs. van JAN DE WEERT’s Niwe Doctrinael, vs. 724 (ed. BLOMMAERT): “Dan coemt die doet ende steecht den denen, die siin testament dus heeft besneden (tekst-hs.: ende steckt den vrecken).” – Zie verder deinzen en deunen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deinen , dienen , opzwellen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
deinen , doine , werkwoord , Ook: 1. Schrijnen van een wond. 2. Zwellen van de moederborst.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deinen , dienen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (N:Rod) = opzwellen De vouten waren mij zo diend (N), zie ook opdienen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deinen , deinen , werkwoord , deinen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deinen , daaien , deinen , werkwoord , 1. kunnen verdragen 2. iemand raken, pijn doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deinen , dèène , soort suède. hertenleer. “‘n dèène jas”, “een jas van hertenleer”. afkomstig van het franse woord: daim.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal