elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dijzak

dijzak , [broekzak] , dieszak , (mannelijk) , dieszakken , dieszak, dijzak, diepzak; men zie hierover Navorscher XI bl. 20. Hoe ook de mode de kleeding van mannen en vrouwen verandert, de dieszakken blijven bestaan, vooral ten platten lande. Het moge waar zijn dat de naam oorspronkelijk diefzak is geweest, en later in diep- en dijzak veranderd geworden; zeker is het dat men hier nog altijd spreekt van dieszak, hetzij ze van mannen, vrouwen of kinderen worden gedragen. Van daar nog een paar spreekwoorden: “ dat kunt ge aan het draaijen van je dieszak wel voelen” en “ je dieszak”.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dijzak , diezak , diezek , 1. zak aan de binnenzijde van een rok; 2. broekzak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal