elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dijzig

dijzig , deinzig , (bijvoeglijk naamwoord) , deinzerig, deizig, de lucht is deinzig of deizig, nevelig, vochtig, zoodat de sterren onzigtbaar worden. “De sterren deizen in ’t verschiet.” Het is deizerig weer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dijzig , diezîg , niet helder of doorschijnend, maar grauw, nevelachtig, zichtbaar met dampen bezwangerd; ’n diezege lōcht; ’t weer is diezîg; de lucht is zeer donker en betrokken; – “en de diezige locht ligt zwaar over ’t veld en op mie”; ’t glas is diezîg = beslagen. Stadsfriesch diesig = nevelig; Overijselsch diezerig = dampig, niet doorzichtig, Zeeland disig; Oostfriesch disig = koud, nevelig, betrokken; Lubeck düzig, Deensch, Zweedsch disig = nevelachtig, donker. (Bij Weiland (art. weder): het is dijzig weder; v. Dale: dijzig = mistig, nevelig, dampig, zonder er: gewestelijk bij te voegen. Toch gelooven wij dat het als idioom moet beschouwd worden, evenals het bij hem voorkomende: diggel, ernsthaftig, flitsboog, draak, falikant, foeteren, fommelen, gouw, gijbelen, galpen, enz.) Ten Doornkaat veronderstelt verwantschap met het Oud-Hoogduitsch deisc, daisc, enz. = mest, drek van vee, en daar het Hoogduitsche Mist waarschijnlijk onmiddellijk met het Oostfriesch mist, Nederlandsch mist (nevel) samenhangt, zou men hier niet aan ’t Angel-Saksisch dysig, Oostfriesch dusig, Groningsch doezîg = duizelig hebben te denken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dijzig , deizig , deinzig, dazig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Gek, onnozel. 2. Mistig, nevelig aan de kim. Vgl. Fries dizich.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dijzig , deisich , deisigger, deisichste , wazig, nevelig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dijzig , dîêzerig , dîêzig, deizig, deizerig , beverig. Ook: dîêzig, deizig (Kampereiland, Kamperveen), deizerig (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dijzig , diezig , diezerig , bijvoeglijk naamwoord , nevelig, met laaghangende nevel, mistig en triest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dijzig , dieserig , diezerig, diesig , nevelig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal