elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dikmuts

dikmuts , [dikzak, rijkaard] , dikmuts , (zelfstandig naamwoord) , dikmutsen , dikzak, rijkaard, het is een dikmuts, hij zit er dik in, het is er een die veel geld heeft.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dikmuts , dikmuts , (dikmus, met klemtoon op dik) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Rijkaard. || ’t Is ’en dikmus hoor. Zo’n dikmus kon best wat meer geven. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 21). Vgl. Markens: dik, rijk, welgesteld; diknek, rijkaard (Taal- en Letterb. 2, 64). – Evenzo in het Ned. ’t is een speknek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dikmuts , dikmus , dikmuts , zelfstandig naamwoord de , 1. Dikzak. 2. Rijkaard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal