elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dogen

dogen , dogen , (transitief werkwoord) , verdragen, dulden, het is mij te heet, ik kan het niet dogen; zijn mond schijnt wel met blik beslagen, want hij kan de spijs kokend heet dogen; een ander daarentegen kan schier geen katlaauw dogen. Misschien van gedogen of dooven.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dogen , dogen , doven , (zwak werkwoord, transitief) , Lijden, doorstaan, verduren; in het bijzonder van warmte (hete spijs en drank, vuur). Alleen in de inf. met kunnen. || Pas op, de soep is kokend, je ken ze nog niet dogen. Me wijf drinkt ’er thee altijd gloeiend heet, dat ze ze temet niet dogen ken. Je ken de brij nou wel dogen. Wat ’en kat, hij ken de tang niet dogen! – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 23). – Ook ontberen, te kort komen ( Krommenie). || Ik doog ok zoveul sleep (slaap), dat ’et gien wonder is, dat ik ’et in me reg heb. – In de Wormer zegt men doven, terwijl dogen er onbekend is, en ook elders in N.-Holl. gebruikt men deze vorm (Taalgids 1, 109). – Ook in het Fri. heeft het woord deze bepaalde betekenis aangenomen; zie HALBERTSMA 602 op daeye.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal