elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dral

dral , dral , (bijvoeglijk naamwoord) , dik, vol, bol, het is een dral ventje, dralle kuiten, goed gevuld, gezet, gespannen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dral , dral , vlug, flink; dral van liefien = vlug van lijf en leden. Gron. dral = hupsch, vlug, flink, van meisjes gezegd. De hoofdbeteekenis van dit woord in ʼt Neders. en Holst. is: hurtig, geschwind, celer; Neders. een drallengang = al wat het aanzien van vlugheid en geschiktheid daartoe heeft; een drall peerd, ene lütje dralle deern; Holst. en dralle deeren = een flink meisje; Noordfr. en trall fömmen = een stevige, flinke meid. Westf. drell, HD. drall = vast gedraaid, van garen; Saterl. drellen = draaien; Oudd. drollen = ronddraaien; Oudfr. thrall, AS. thearl = snel, gezwind.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dral , dral , (bijvoeglijk naamwoord) , vast gesponnen garen, garen dat licht ronddraait.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dral , drel , stijf, van de oogleden wanneer men ze van slaap bijna niet meer open kan houden; de oogen worden mie drel (ook: stief), zooveel als: er beginnen zich voorteekenen van slaap bij mij te vertoonen; “ik leuf ijnliek, dat ons de oogen wat drel wassen van de zeupkes.” – Ook = draaierig. Zie: dral, en: drellen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dral , dral , hupsch, vlug, flink, tevens goed gebouwd, van meisjes gezegd; ’t is ’n dralle (ook: fiefe) maid = ’n dral wicht (Oldampt) ook OostfrieschDrentsch dral = vlug, flink, dral van liefien = vlug van lijf en leden; Oostfriesch dral = sterk, vast, dicht gedraaid, rond, vol, vast ineengedrongen; ook: zich snel bewegend, snel draaiend, enz.; Nederduitsch, Middel-Nederduitsch dral, Angel-Saksisch thearl = snel, gezwind, sterk, hevig, enz.; Oud-Friesch thrall = snel; Wangeroog thral = dik rond, Friesch tral; Kil. drol = wat kan draaien, een tol, draaikolk, enz. Het Neders. Wbk. zegt: De hoofdbeteekenis van dit woord in ’t Nedersaksisch en Holsteinsch is: snel, gezwind; Nedersaksisch: een drallen gang = al wat het aanzien van vlugheid en geschiktheid daartoe heeft; een drall peerd, ene lütje dralle deern; Holsteinsch en dralle deeren; Noordfriesch en trall sömmen; Hoogduitsch ein draller Faden, Gang; ein dralles Mädchen; Westfaalsch drell = vast ineengedraaid, van garen; Saterlandsch drellen = draaien; Oudduitsch drellen = ronddraaien. Vgl. drel, en: drellen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dral , dral , drel , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Stijf gedraaid. || Dral garen. Een dral touw. 2) Als gedraaid; dus rond, stevig, vast, gedrongen. || Dat kind het zukke lekkere dralle billen. Een dralle jongen. ’t Is dral goed (van stevige, vette aal). ‒ Vandaar ook: Dat broekie zit dral (gespannen). Het waait flink, ’t zeil staat zo dral (bol, rond). ‒ Ook als geslachtsnaam DRAL. 3) Stijf, doch niet vast. || Die manchetten bennen dral. Hoe meer dat je roere, des te dralder wordt de pap. 4) Bol; van de wind. Nu verouderd. || S.W. wint met een dralle koelt. Journ. Gijsen, 8 Jan. 1682. Het woord is ook verderop in N.-Holl., in Friesl., Gron., Oost-Friesl., Nederd., Hoogd., enz. bekend; zie de wdbb. Het is verwant met drillen, draaien. In de Nederl. schrijftaal is het zeldzaam; OUDEMANS geeft alleen een voorbeeld van “dralle benen en kuiten” (VAN ELDERVELT, Hendrik en Pernille 14). ‒ Eertijds was in N.-Holl. ook de vorm drel in gebruik. || (Het wordt zomer:) De Boomen met haar Bloeyzel staan, de Jonge-luy we’er buyten gaan, ... de Erte -peulen worden drel, Maygift 46. Appelen, Peeren, Peulen drel, die haalt men daar, verstaat men wel, Hoorns Liedboek 108. ‒ Vgl. Gron. drel, stijf van de slaap (van oogleden), op drul.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dral , drêls , verward in elkaar zitten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dral , dral , bijvoeglijk naamwoord , 1. Stevig gedraaid. | Dat is dral géren. 2. Stevig, kort en gedrongen | ’t Is ’n dral kirreltje. 3. Stijf, stug, onwillig. | Doen toch niet zô dral. Het woord is verwant met drillen = draaien. Zie nog de zegswijze mal of dral.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dral , dral , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vlug, flink (wm) 2. stevig (oz:Hgv) Dralle kuten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal