elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drenzen

drenzen , drenzen , op een verdrietigen en vervelenden toon om iets aandringen als een kind bij zijne moeder. Teut. drenzen, kneesten, stoenen, suchten. Isl. at thruma, id. pl. d. drammen, id. Goth. thramstei [de ruischster] sprinkhaan. Isl. at thrámma, hijgende daar heen waggelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
drenzen , dranzen , (intransitief werkwoord) , krijten, snoffen, eentoonig gedrans van kinderen, wat een vervelend gedrans is dat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
drenzen , drünsen , (zwak werkwoord)
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
drenzen , drenzen , (zwak werkwoord) , dringend schreeuwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drenzen , draansen , dransen , zie: sjantêrn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drenzen , dranzen , zie: drammen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drenzen , dranzen , drenzen , (zwak werkwoord, intransitief) , Drenzen, dwingerig schreien; van kinderen. || Dat kind loopt altoos te dranzen. Drans nou niet langer, of je zel te bed. ‒ Dranzen is ook verderop in N.-Holl. en in Gron. gebruikelijk; drenzen komt gewestelijk ook elders in Holl. voor. Zie FRANCK op drenzen, en vgl. dransbalk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
drenzen , dranze , werkwoord , Drenzen, dreinen, huilen. Zie het N.E.W. onder drenzen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drenzen , drenzen , drèènzen , (Kampen) drenzen, zeuren. Òlt oe gedrens veur oe ‘zanik niet!’. Ook: drèènzen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drenzen , drenzn , dwingend zeuren van een huilerig kind. Wat mankeert dât kind toch? Altied mâr drenzn en sjenkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
drenzen , draenzen , werkwoord , drenzen, dreinen, zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drenzen , drainze , werkwoord , drainsde, gedrainsd , [O] 1. vocht doorlaten 2. door iets heen dringen van vocht
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal