elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: droop

droop , droop , (mannelijk zonder meervoud) , drop, ontsteking van het uijer van een melkkoe, of eenig ander zogend dier, dit ongemak dat dikwijls bij melkkoeijen voorkomt, ontstaat veelal door het vatten van koude, of ook wel doordien de koe niet goed gemolken wordt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
droop , droop in ’t joar , verzwering in den uier der koeien, zoodat er etter uit de spenen gedrukt wordt, welk ongemak zich alleen des zomers voordoet. Kil. droop, drop, drup; (v. Dale: droopen = bedruipen, besproeien.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
droop , droop , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een ontsteking van de uier van melkkoeien en andere zoogdieren, waardoor de inwendige delen tot knobbels samentrekken; meestal een gevolg van het vatten van koude, soms ook van verkeerd melken. || De bonte koe heb de droop in ’et jaar (uier). ‒ Ook als naam van een zekere ziekte van kraamvrouwen. || Ze heb de droop ’ehad, toe ze drie weken oud-kraams was. ‒ Zegsw. De droop in zijn ellebogen hebben, aan een ingebeelde ziekte lijden. ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 23) en in Friesl. (HALBERTSMA 756).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
droop , droop* , (vooral bldz. 515); zie bij v. Dale drop 1, en droop (4e druk.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
droop , droup , zelfstandig naamwoord de , 1. Drup(pel). | D’r hangt ’n droup an je neus. 2. Droop, ontsteking van de uier van o.a. melkkoeien, waardoor de inwendige delen tot knobbels samentrekken. Vgl. Fries droop.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal