elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duig

duig , duig , (vrouwelijk) , duigen , eene zekere hoeveelheid droog voeder, hooi of stroo, dat men op eens aan het vee toedient, hetzij dat het aan een vork gestoken, in een mand gepakt, of in den arm genomen wordt. Van daar de benaming van eerste en tweede duig, een middag- en avondduig, groote en kleine duig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
duig , dûge , (vrouwelijk) , dûgen , duig (van een vat).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
duig , duig , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De hoeveelheid hooi of stro, die te gelijk aan het vee wordt toegediend. Men bezigt het woord, onverschillig of het hooi daarbij aan een vork gestoken, in een mand gepakt of in de arm genomen wordt. || Voor ik na bed gaan geef ik de koeien nog ’en goeie duig (vork met hooi). Wanneer krijgen ze de leste duig? Ik zel ze nog maar ’en duichie geven. Een grote en een kleine duig. De eerste en de tweede duig. Een middag- en avendduig. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 23) en in Gelderland (Navorscher 9, 27).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
duig , důůge , vrouwelijk , duig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
duig , duig , zelfstandig naamwoord de , in de combinatie ’n duig hooi, hoeveelheid hooi die tegelijk aan het vee wordt gevoerd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
duig , doigie , duig , zelfstandig naamwoord , (LPW: Lop), duig (LPW: Cab) hoeveelheid hooi op een hooivork (doigie is eigenlijk diminutief bij doig ) ‘Geef de koeien nog eens een doigie na (= een hapje toe). ’(Lop) Vrijwel synoniem: * lok . Een lok hooi is precies één vork hooi. Wie alle koeien een doig wil geven, moet echter een paar keer met de vork scheppen; de hoeveelheid is dus wat groter.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
duig , dugen , meervoud , duigen Het hail vat vuil in dugen (Eev), As de buurman dronkend weerkomp, slet hij alles in dugen (Ruw), (fig.) Het plan is in dugen vallen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duig , duugn , duigen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
duig , dugen , meervoud , duigen, in in dugen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal