elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eenlijk

eenlijk , [eniglijk, afgelegen] , iendelijk , (bijwoord) , eeniglijk, afgelegen. Hij woont daar iendelijk, het is hier een iendelijk pad, het is niet prettig zoo iendelijk te wonen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
eenlijk , eenlijk , ienelijk , (met klemtoon op een) , (bijvoeglijk naamwoord) , Eenzaam. || Een ienelijke weg (de Wormer). Als bijwoord ook elders in Holl. bekend, b.v.: “Wat woon-je hier eenlijk”; evenzo Fri. ienlik woane (HALBERTSMA 912).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
eenlijk , iendelek , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Eenzaam, afgelegen. | Hai weunt deer puur iendelek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
eenlijk , ienlijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = eenzaam, alleen Hij woont er mooi, mor wel wat eenlijk (Die), Het is ienlijk wonen, achter de bos (Ruw), Ik krieg het aal eenlijker wordt steeds eenzamer (hi:Hoh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eenlijk , ienlik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , in eenzaamheid, alleen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
eenlijk , êêñlek , êêñtelek , bijvoeglijk naamwoord , [O] eenzaam, afgelegen Een êêñleke weg Een eenzame weg Wat weune die meñse daer ontzettend êêñlek Wat wonen die mensen daar ontzettend afgelegen Ook êêñtelek; Wat weuntie hier êêñteluk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal