elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eunjer

eunjer , unjer , (mannelijk zonder meervoud) , heermoes, paardenstaart, kwaadenaard, equisetum, een algemeen bekend onkruid, dat zeer moeielijk uitgeroeid kan worden; de beste middelen om dit schadelijk onkruid te verdelgen zijn, de hort, de rol en de ier. Zie Tijdschrift van Nijverheid Dl. V, stuk IV. Proeve eener landbouwkundige beschrijving van een gedeelte van Noordholland door J. Bouman 1840 en over den unjer, heermoes, paardenstaart of ruigbol in den Almanak voor landbouwers en veehouders door denzelfden 1863.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
eunjer , unjer , onger , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Eertijds onjer, onger. Zekere plant; een lastig onkruid op weilanden. Moeras-paardestaart, hermoes, Lat. Equisetum palustre (VAN HALL, Landh. Flora 273). || Unjer ken-je haast niet doodkrijgen. Van unjer wordt ’et vee ziek (de plant werkt nl. op de ontlasting). – Ook in de naam van stukken land, waarop unjer groeit. || Dat oyngersteck, Polderl. Assend. I, f° 317 r° (a° 1600). Dat oyenger stuckgen, ald., f° 319 v°. Die kleyne ongersijd, 543 (roeden), Polderl. Westz. III f° 81 r° (a° 1644). – Evenzo verderop in N.-Holl. || Een stucke weydlants, ghenoemt die Honghercamp bij Castricommersluys binnen die ban van Lymmen, GONNET, Zijlkl. 326 (a° 1531). In geheel N.-Holl. (BOUMAN 110; BERKHEY, Nat. Hist. 9, 91) en ook in Overijsel (VAN HALL, t.a.p.) is de plant onder de naam unjer bekend. Of deze samenhangt met het bij de 17de-eeuwse Hollanders gewone zelfstandig naamwoord eunjer boze geest, en het bijvoeglijk naamwoord eunjer, doortrapt, geslepen, op kwaad afgericht, duivels (OUDEMANS, Wdb. op Bredero 107), bij KIL. “unghers, Hol. maleficus, veneficus, diabolicus”, is bij gebrek aan nadere gegevens niet met zekerheid uit te maken. De plant zou dan zo geheten zijn om haar boze aard, waarom zij ook elders kwadenaard (naast kwadernaat) heet. KIL. vermeldt verder nog: “ungheren, Holl. j. tooveren; ungher-hoere, Hol. malefica, incantatrix, mulier diabolica”, alsmede unghers-eyeren als naam van een soort van paddestoelen; vgl. DODONAEUS 786: “den ghemeynen man heet het (gewas, deZee Campernoelië”) in Hollandt Vngers eyeren, oft Oniers eyeren, dat is Duyvels eyeren, oft Toovenaers eyeren, als sommige dat woordt uytlegghen”, en zie ook HADR. JUNIUS, Batavia (ed. 1588), 217. Zoals bekend is, zijn ook vele andere planten naar de duivel of naar heksen genoemd. Vgl. voor de afleiding van het woord FRANCK 244 op eunjer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
eunjer , unjer , zelfstandig naamwoord de , Kattestaart, soort onkruid. Vgl. het N.E.W. onder eunjer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal