elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: faliekant

faliekant , falikant , (bijvoeglijk naamwoord) , verkeerd, in gebreke, dat komt falikant uit, de rekening sluit niet, er bestaat een tekort; het faljeert, fransch faillir.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
faliekant , foaliekant , onzekerheid; doar is gijn foaliekant bie = die zaak is gezond, dat kan niet verkeerd uitvallen; ook Oostfriesch – Eigenlijk zooveel als: waaraan de kant faalt, ontbreekt; fig. = niet in den haak, niet zoo als ’t behoort. Friesch: zonder falikant = zonder fout, zonder missen. Kil. faelikant = iets wat een scheeven hoek heeft; Oud-Friesch falicant = afval, gebrek. (’t Woord komt hier niet als bij Weil. en v. Dale als bijwoord en bijvoeglijk naamwoord voor.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
faliekant , fálliekânt , faliekant, volkomen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
faliekant , faliekant , falliekant, faoliekant , Ook falliekant, faoliekant (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. geheel en al Het is faliekant verkeerd, waj daor doet (Sle), Dat bint faliekante leugens (Pdh), IJ bint der faliekant naost (Bui), Die man is faliekant gek (And), Ik bin der faliekant tegen (Hol) 2. verkeerd, slecht (Midden-Drenthe) Dat hef een faliekante oetwarking (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
faliekant , faliekant , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Var. als bij faliekant II = onwaarheid, leugen, onzin Geleuf dat mor niet, het is niks as faoliekant (Gie), Wat e joe verteld het, dat is allemaol faoliekant (Row), Trek je der mor niks van an, het is faliekant (Bal), Nou, det was faliekant, het was een vergeefse reize dat stelde niets voor (Rui), Daor is gien falikant van waor er is niets van waar (Wee), zie ook falie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
faliekant , faoliekant , mis, verkeerd: dè ding kumt faoliekant uit, die zaak heeft niet de verwachte afloop; ge heggut faoliekant mis, is eigenlijk dubbelop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
faliekant , faliekant , falliekant, faliekaant , bijwoord , 1. totaal, mordicus 2. met verkeerde afloop 3. keurig en flink (van een groot meisje, jonge vrouw)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
faliekant , faliekânt , faliekântj , bijwoord , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; verkeerd, helemaal
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal