elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fieter

fieter , [netjes] , fijter , (bijvoeglijk naamwoord) , feiter, fieter, kuin, fief, netjes, vlug, een fijter vrouwtje; ofschoon bejaard en zwakkelijk, is zij toch nog altijd even fijter: netjes en opgeruimd van aard. Men verwisselt dit woord veelal met het fransche vif, vive. De beteekenis is doorgaans levendig, vlug, bevallig, opgeruimd en net.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fieter , fieter , (bijvoeglijk naamwoord) , Netjes, vlug, zwierig staande: Van hoofddeksels (de Wormer). || Wat heb Trijn ’en fieter hoedje op. Wat staat dat hoedje je fieter. Een fieter hultje, mussie, enz. ‒ In de Beemster wordt fieter, fijter, ook van personen gebruikt in de zin van vlug, opgeruimd, levendig. || Een fijter vrouwtje. Al is ze oud en zwakkelijk, ze is toch nog altijd even fieter (BOUMAN 27)
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fieter , fieter , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Kwiek, vitaal. | ’t Is nag ’n fieter woifke voor d’r leeftoid. 2. Mooi netjes, zwierig. | Je ziene d’r weer fieter uit mit dat jurkie. Mogelijk is het woord ontstaan uit Frans vite = vlug, levendig. Zegswijze fieter en fointjes, zie fieterdefointjes.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fieter , fieter , koker voor losgestort graan; Engels: feeder
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal