elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fleerzen

fleerzen , [slaan] , fleerzen , (transitief werkwoord) , slaan, iemand een fleers in het gezigt geven, men zegt somtijds ook nog wel: de koe fleert of zal fleerzen, als zij aan de diarrhé is; alligt krijgt iemand, die er wat te digt bij is, dan een fleers.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fleerzen , fleren , (zwak werkwoord, intransitief) , Loslijvig zijn, dun schijten; van een koe. Synon. fleerzen; zie aldaar. || Die koe fleert. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 27). Vgl. Oost Fri. flarren in dezelfde betekenis, waarnaast flarrîg, loslijvig, en flarre, fleers (KOOLMAN 1, 502).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fleerzen , fleerzen , (zwak werkwoord, transitief) , 1) Slaan, iemand een fleers in het gezicht geven. Zie fleers. || Pas op, of ik zel je fleerzen. Ik zel je leren mijn te fleerzen. 2) Loslijvig zijn, dun schijten; van een koe. ‒ Synon. fleren. || Gaan wat uit de weg, die koe mocht ers fleerzen gaan. Daar fleerst me dat beest helegaar vol. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 27).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fleerzen , fleerze , werkwoord , Dun schijten (van koeien).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal