elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flikkeren

flikkeren , flikkeren , (intransitief werkwoord) , zich vuil maken, zij loopen te flikkeren, langs den morsigen kleiweg, zijn laarzen zijn geheel beflikkerd, glad, glimmend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flikkeren , flikkêrn , (= flikkeren, en: flikkering), voor: weerlicht, en: weerlichten. Vgl. weerlicht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flikkeren , flikkeren , (zwak werkwoord) , vgl. uitflikkeren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flikkeren , flikkern , zie: weerlicht *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
flikkeren , flikkere , gooien Wegflikkere, d’r af of nérflikkere. Weggooien, er af neergooien, vertrekken; weggaan Héj mot as de mieter opflikkere Hij moet meteen vertrekken [neg.]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
flikkeren , flikkere , werkwoord , Ook: 1. Met geraas vallen. 2. Smijten. 3. Zich vuil maken (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flikkeren , flikkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. flikkeren De sterregies flikkert mij veur de ogen (Sle), De stèerns flikkert an de locht (Bei), Die man kwam ons lest tegen en hij zat te flikkern met zien lichten van de auto (Pei), Het flikkerde de haail naacht an, maor der kwam toch gien dunder het weerlichtte (Klv), zo ook Wat flikkert het an de locht langes (Dwi), Wat flikkert die katogen, hè! (Gas), Dat peerd deugt niet, hie stiet te veul met de oren te flikkern (Bro) 2. tekenen van leven vertonen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie flikkert toch een beetien gezegd na de geboorte van een kalf, dat nog flauw is (Sle) 3. flikflooien (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hie kan zo mooi zitten te flikkern (Bal), Hij löp de hiele dag achter de baos an te flikkern (Klv), Hie flikkerde wat om dat wicht toe (Schl) z. ook flikflooien 4. gooien Hij begun zo vervelend te worden dat ik der an toe was hum de deure uut te flikkern (Zuidwest-Drenthe, zuid) 5. (Zuidoost-Drents zandgebied), in Ik heb vanaovend vrij flikkern vrijaf (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flikkeren , flikkeren , gooien. hij flikkerde z’n fiets op de grond, hij gooide zijn fiets op de grond.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
flikkeren , flikkeren , flikkeren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flikkeren , flikkeren , werkwoord , 1. flikkeren: van licht 2. smijten, op ruwe wijze (laten) vallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flikkeren , flikkere , weggooien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal