elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flikkerij

flikkerij , [bezigheid] , fiekerij , (vrouwelijk) , fiekerijen , bezigheid, zaak, dat is eene mooije fiekerij, aangename bezigheid, als die zaak zoo voortgaat, dan zal het eene beste fiekerij zijn. Zulke fiekerijtjes zijn aannemelijk.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flikkerij , flikkerei , schertsend voor: vrijerij; da’s flikkerei = zij vrijen, en zal letterlijk zijn: (lippen) klapperij. – Ook zooveel als: dat is een aardigheidje, daarmede kunnen wij ons vermaken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flikkerij , flikkeraai , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n goeie flikkeraai, een winstgevend zaakje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flikkerij , flikkerieje , 1. weerlichten in de verte. 2. een goed handeltje.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
flikkerij , flikkerieje , 1. vaag weerlichten; 2. ’n mooie flikkerieje: een goed handeltje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
flikkerij , flikkerij , de , zaak, die veel oplevert Da’s een goeie flikkerije (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flikkerij , flikkeri’jgien , winstgevend zaakje. Die andel is een mooi flikkeri’jgien ‘dat is een lucratieve handel’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flikkerij , flikkerieje , voordeelhandel. Dât is en goeje flikkerieje um ’n paer cent an aover te holln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
flikkerij , flikkeri’je , zelfstandig naamwoord , in een mooie flikkeri’je een buitenkansje, een voordelige zaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flikkerij , flikkeri’je , (zelfstandig naamwoord) , 1. bedrog; 2. voordelig zaakje. Een mooie flikkeri’je.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal