elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flodderwal

flodderwal , [wal aan de slootkant] , flodderwal , (mannelijk) , flodderwallen , zoo noemt men hier den lagen, moerassigen, groenen wal die aan den slootkant der graslanden groeit; op veengrond is de flodderwal doorgaans te slap en te week om het vee te kunnen dragen; op kleigrond gaat dat beter, vooral sedert het verlagen van het zomerpeil. Zwanen, ganzen en eenden zijn zeer begeerig op het flodderwalgras te grazen; hetwelk men flodderen noemt, mogelijk van daar de naam flodderwal en floddergras.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
flodderwal , flodderwal , zelfstandig naamwoord de , Lage, moerassige, groene wal die aan de slootkant van grasland groeit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal