elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fok

fok , fok , (vrouwelijk) , fokken , bril, hij zet de fok op den neus, zij fokt ook al, ze is al vroeg beginnen te fokken, de naam is ontleend aan een bekend zeil vóór aan het schip.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fok , fòkke , (vrouwelijk) , bril; ’k zal de fòkke d’r bij op motten zetten, ik moet er de bril bij opzetten (eigenl. zeil).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fok , fok , in de zegswijs: d’r gijn fok van vertrekken = geen teeken van aandoening geven door het storten van tranen of het bewegen der gelaatsspieren, niet het minste bewijs geven dat iets eenigen indruk heeft gemaakt, ongevoelig of schijnbaar ongevoelig blijven, bv. bij roerende sterfgevallen of aangrijpende tooneelen. – Aan de zeevaart ontleend; fok toch is op kleine vaartuigen een driehoekig zeil, dat tusschen den fokkemast en den boegspriet wordt geheschen; op groote schepen het onderste razeil van den fokkemast. Eigenlijk is de uitdrukking zooveel als: geen de minste verandering in het tuig aanbrengen, alles met de meeste koelbloedigheid of onverschilligheid behandelen, ook onder de ernstigste omstandigheden, kalm blijven in de stormen van ’t leven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fok , fok , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook als naam van talloze stukken land, die de driehoekige vorm van een fok hebben. Vgl. bezaan, als naam van land. || Een stuk land, zijnde een fok. Het Fokje. – Reeds in de l7de e. || Een stuk land, || De fock, Polderl. Oostz. I (a° 1694). – Ook als naam van een buurt te W.-Zaandam. || De Fok, Custb. (a° 1750).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fok , fok , fokke , 1. zeil. 2. bril 3. der gain fokke van vertrekken = geen teken van aandoening geven
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
fok , fok , zelfstandig naamwoord de , Bril. | Ik zel efkes de fok opzette. Het woord is waarschijnlijk Een verkorting van Latijn focus.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fok , fok , bijvoeglijk naamwoord , Schuin toelopend. | Die akker is fok. Vgl. ook Fries fok. = driehoekig stuk land. Zie ook het N.E.W. onder fok 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fok , fók , mannelijk , fuk , fukske , ruk, korte duw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fok , fokke , 1. bril; 2. fok.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fok , fok , fokke, fogge, fop , fokken , Ook fokke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe in bet. 2.), fogge (Veenkoloniën), fop (Kop van Drenthe in bet. 2.) = 1. fok op een schip 2. bril Dat is zo fien schreven, door mot de fokke bie op (Bco), Hij hef de fokke meer op het veurheufd as op de neuze (Mep), Hij zette de fok op (Row), 3. zier (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef zuk der gien fok van antrökken (Hoh), Hie verdreide zuk gien fok, toen ze hum vertelden dat zien auto stolen was vertrok geen spier (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fok , fok , de , het fokken Det is eigen fok en det is ankoop (Rui), Ik hebbe die hondties allend mar veur de fok (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fok , fòkke , 1. fok; 2. bril
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fok , fokke , bril.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fok , fok , neus , Van iemes meej 'n gróóte neus zègge ze wél'les dét'tie 'n gróóte 'fok' hi. Van iemand met een grote neus zeggen ze wel eens dat hij een grote 'fok' heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
fok , fok , fokke , zelfstandig naamwoord , de; 1. bril 2. fok van een schip 3. het fokken van dieren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fok , fok , zelfstandig naamwoord , fokke , fokkie , bril Hè jij ôk al een fok op? Draag jij ook al een bril?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fok , fôk , zelfstandig naamwoord mannelijk , fôkke , - , kaarsenpit , (verbrande deel van de kaarsenpit) fôk VB: De kiëts hèt 'nne fôk aon, ze gèit zjwame.; splinter (dikke splinter om pijp aan te steken) fôk (vero.) VB: Oét zûinighèid gebrukde de lûi vreuger 'nne fôk ién plaots van 'nne sjwëgel vuur de piép aon te sjtëke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fok , fokke , (zelfstandig naamwoord) , fok, bril. Zie ook: brille.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
fok , fok , zelfstandig naamwoord , grote neus (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
fok , fòk , zelfstandig naamwoord , "WBD III.1.1:85 'fok' = neus; WBD III.1.1:88 'fok', 'grote fok', 'fokker', 'fokkerd' = lange neus; WBD III.1.1:90 'dikke fok"" = dikke neus; ook 'fok' of 'fop'; WNT III:4605 FOK 4) Gew. in Z-Ndl. in den zin van neus, blijkbaar naar den vorm."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal