elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: forten

forten , [bevelen] , forten , (intransitief werkwoord) , gebieden, bevelen, tegenspreken, dat mannetje heeft nog al wat te forten, hier valt niets te forten, de man heeft weinig meer te forten, omdat de vrouw de baas is.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
forten , forte , werkwoord , Vitten, kijven (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
forten , forte , werkwoord , Sterk maken, iets inbrengen (verouderd). Uit Frans fort. | Je hewwe hier niks te forten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
forten , forte , samenwonen; hokken; ze zit mè t’r knurfie al jare te forte
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal