elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fut

fut , fut , (vrouwelijk zonder meervoud) , kracht, lust, leven, moed, de fut is er uit, er zit geen fut in; weleer vol vuur, nu geen fut meer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fut , [kleinigheid] , futje , (onzijdig) , futjes , kleinigheid, beetje, het kost maar een futje, de man verdient een futje, er is maar een futje van over.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fut , fuut , fut , voor: geest, levenslust, gepaard met levenskracht. Van menschen, die, ofschoon bejaard, nog levenslustig zijn, zegt men: d’r zit nog fuut in = die man is nog lang geen suffer; doar zit fuut in = die drank is krachtig, zwaar, bevat veel alcohol. Wordt ook van bier gezegd als het sterk mousseert, en dan ook: zit knil in. Van onze zeelui hoort men: da’s kripke = dat is krachtig, enz. – fuut Knellies!? wordt lachend gezegd, en zooveel als: mis man! gij zijt (of hebt u zelf) gefopt, eigenlijk: dat is mis, niet waar Kornelis? Volledig luidt dit schertsend plagen: fuut fuut! lange bijnen en gijn kuut! = dat is fopperij, lange beenen zonder kuiten! waarbij dan het geluid van den fuut eenigszins wordt nagebootst. Noordfriesch fiit! fiit! ook bij Gijsb. Japix en = sliep uit!
in: d’r zit gijn fut in = de man treuzelt; ook: de zaak vordert niet, er wordt niet gehandeld. Stadsfriesch: kom fut! = kom nu! vooruit! Overijselsch: zit gijn fut in, voor: kracht, bv. in ’t hooi, als het gras te laat gemaaid wordt. West-Vlaamsch fut = levenskracht, staal, vaag, virtuit, Fransch énergie, vie, ardeur. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fut , fup , (vrouwelijk) , Kracht, fond, degelijkheid, energie. De fup ister ü̂t zal men van iemand zeggen die naar lichaam of ziel vervallen is. Van onsolide stof zegt men ook: Daor zit gîn fup in. Ook: N.-Br. O. V. I. p. 203.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
fut , fut , (tussenwerpsel) , Daarnaast fuut! || Ik kom hard anlopen, en “fuut!” daar gaat de trein net weg. – Evenzo elders in Holl. en in het Stad-Fri.; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 132.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fut , fut , (zelfstandig naamwoord) , Alleen in de verkl. futje; daarnaast fuutje. Een kleinigheid. || Zo’n mes koop-je voor ’en futje. Der is nog maar ’en futje van over. Honderd gulden! dat ’s geen futje. ’t Kost maar ’en fuutje. – Futje is ook in de Beemster gebruikelijk. Vg1. VAN DALE: fut, niets, wissewasje; zegsw. ’t is fut, ’t betekent niets, heeft niets te beduiden. Evenzo bij MEILAND.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fut , fut , fuut , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)) , Daarnaast fuut. Kracht,opgewektheid, levenslust. || De fuut is er uit (van iemand, die neerslachtig is, bij de pakken neerzit). Der het nooit fut in ’ezeten. – De vorm fut is ook elders in Holl. gebruikelijk (BOUMAN 29; O. Volkst. 1, 35) alsook in het Stad-Fri., in Utrecht, W.-Vlaand., e.e. – Fuut hoort men o.a. ook in de Neder-Betuwe (0. Volkst. 1, 177) en in Gron. (MOLEMA 113).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fut , fuut* , wordt meestal uitgesproken fut *, zie dat woord op bldz. 518; met het midden van ʼt art. te vergel. “fut” (= niets) bij v. Dale en zoo ook aldaar: ’t is fut = ʼt beduidt niets.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
fut , fup , (vrouwelijk) , Kracht, fond, degelijkheid, energie. De fup ister ü̂t, zal men van iemand zeggen die naar lichaam of ziel vervallen is. Van onsolide stof zegt men ook: Daor zit gîn fup in. Dit ook bv. als een bal of blaas niet goed is opgeblazen, niet stevig genoeg is. Ook: N.-Br. O. V. I. p. 203.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
fut , fit , fut, fuut , zelfstandig naamwoord de , Fut, lust, kracht. (verouderd). Zegswijze er de fit van weg hewwe, er de smaak, de slag van te pakken hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fut , fut , mannelijk , fut. De fut is droet: de fut is eruit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fut , fut , de , fut, energie Der zit nog fut in (Sle), daarentegen Der zit niks gien fut meer in, alle fut is der uut (Zdw), Aj ’t heeil dag an het heuien west hebt, hej ’s aovends niet veul fut meer (Eex), Aj ziek binnen, bi’j de fut kwiet (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fut , futsien , klein bedrag, weinig. Wat hef mien dât huus ekos? Zo goed as niks, ’n futsien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fut , fut , bijvoeglijk naamwoord , fut hebbend, bijv. Die is nog goed fut veur zien leeftied
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fut , [sperma] , fut , sperma.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal