elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: futeren

futeren , [zacht blazen] , futeren , (transitief werkwoord) , zacht blazen, iemand in de ooren futeren, leg niet te futeren, maar blaas goed door.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
futeren , futeren , (zwak werkwoord, intransitief) , Zachtjes blazen (de Wormer). || Futer me niet zo in me oren. Je moete niet zo futeren, blaas goed door. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 29). Vgl. DE JAGER, Freq. 2, 132.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
futeren , futere , werkwoord , Zachtjes blazen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal