elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fuus

fuus , [verzinsel] , fuusje , (vrouwelijk) , fuusjes , grol, verzinsel, het is een fuusje, hij heeft ons meer zulke fuusjes willen wijs maken, maar wij laten ons zoo iets niet in de ooren blazen; wij achten dergelijke fuusjes niet.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fuus , fuuchie , zelfstandig naamwoord , fuuchies , kleinigheid; Da’s gêên fuuchie Dat is geen kleinigheidje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fuus , [melkfabriek] , fuus , (vrouwelijk) , melkfabriek. In Thorn van 1898-1949 op de Akkerwal, onderdeel van de Boerenbond, zie ook mèlkfebriek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fuus , fuus , zelfstandig naamwoord , fuze , fuuske , 1. afgeroomde melk 2. melkfabriek (inkorting van het Franse woord centrifuge – machine om melk te ontromen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal