elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gabber

gabber , gabbert , (mannelijk) , gabberts , slimmert, een die gaauw is, die weet te grijpen als er gelegenheid is wat te verdienen. Men vat het woord gabbert op in den zin van dief, zoo als in het voorgaande artikel; maar dikwijls ook in de meer onschuldige beteekenis van winnen en op eerlijke wijze verdienen. Zoo zegt men van iemand die gaauw en vlug in den handel is, en veel geld verdient: hij is een gabbert, een slimme vogel, die voordeelige inkoopen doet en veel wint.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gabber , gabberd , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Guit, slimmerd. || Hij is ’en gabberd (een platje). Je moete zo met ’em oppassen, want ’et is zo’n gabberd. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 30). – Vgl. Mnl. gabber, Mnd. gabbert, spotter, ijdeltuit, en zie gabben, gabberen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gabber , gawwer , Hebr. GAWER = vriend, kameraad, compagnon. Vooral in GAWROESE (Hebr. GAWROETA) = gezelschap. Daarnaast hoorde men GESELLSCHAFT. Gain gesellschaft veur die. Das gain gawroese veur ’n jiddenkind. Zuik die aander gawroese uut.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
gabber , gabber , mannelijk , gabbesj , gebberke , bargoens: kameraad.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gabber , gabber , vriend (Hebr.: chawwer: kameraad)
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal