elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gaillarde

gaillarde , [pretje] , galjaartje , (onzijdig) , galjaartjes , pretje, vrolijkheidje, ze maken daar puur een galjaartje, hij houdt nog al van een galjaartje, van daar galjerend voor spotachtig, gekscherend, schertsend. Zie op het woord: raljerie.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gaillarde , galjaartje , (met klemtoon op jaar) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Pretje, vrolijkheidje; eigenlijk een bijeenkomst van jongelui, waarbij gedanst wordt. || Ik hou wel van zo'n galjaartje. – Ook: Ze maken er ’en galjaartje van (ze doen de vrolijkheid ontaarden in herrie). – Evenzo elders in N.-Holl. Het woord komt van Ofra. gaillarde, een soort van dans (LITTRÉ 1, 1816); vgl. Fra. gaillard, lustig, vrolijk. In de eigenlijke zin wordt het nog gebruikt door ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 173: “Ghy leert slaen op Herpen, Cijters en Luyten, ... daer toe de Musycke op de mate singen, een Allemande danssen voor de vuyst, ... lustige sprongen in de galjaerden springen.” Zie verder TER GOUW, Volksvermaken 53. – Vgl. galjaren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gaillarde , galjaartje , zelfstandig naamwoord ’t , Pretje, vrolijkheid (verouderd) Uit Frans gaillard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal