elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: garten

garten , [drentelen] , gnarten , (intransitief werkwoord) , heen en weder drentelen, gedurig in- en uitloopen. Dat is een gegnart. “Het gnarten van de kinderen” zegt de zindelijke huismoeder, “is lastig; maar nog erger dat gegnart van venters en bedelaars, die de pas geschrobde straatjes weer morsig maken.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
garten , [drentelen] , jirten , (transitief werkwoord) , gnarten, heen en weêr loopen en rijden. Hij gaat weer op de jirt, dat is een gejirt, nu kan hij niet meer jirten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
garten , jirten , (zwak werkwoord, intransitief) , Veel van huis zijn, langs de straat lopen (de Wormer). – Synon. jarten, jachten, bentelen. || O, die ben weer an ’et jirten; dat zou wel wonder wezen, ze kennen nooit thuis blijven. Die honden jirten wat of; altoos lopen ze bij de weg. – In dergelijke zin ook in de Beemster (BOUMAN 49). – Zie jirt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
garten , gnarten , (zwak werkwoord, intransitief) , Doelloos en hinderlijk heen en weer lopen, drentelen. Synon. garten. || Loop niet zo te gnarten. Dat gnarten verveelt me al lang. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 34).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
garten , garten , jarten , (zwak werkwoord, intransitief) , Doelloos heen en weer lopen drentelen; vaak met de bijgedachte, dat dit hinderlijk is voor anderen. – Synon. gnarten; zie aldaar. || Wat lopen die kinderen weer in de gang te garten. Je most eres ophouwen mit dat garten; alan (telkens) loop-je me in de weg. – Ook: achter een meisje garten (een meisje achternalopen, op straat volgen). || Die jongens garten maar aldoor achter ons an. – In de Wormer is garten onbekend, maar zegt men jarten en, meer nog, an de jart zijn in de zin van veel langs de straat lopen, niet thuis kunnen blijven. || Die kerel is altoos an ’et jarten, thuis zien-je ’em niet. Die meiden ben weer es an ’et jarten. – Synon. is jirten; zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
garten , garte ,  gnarte , werkwoord , 1. De hort op gaan. 2. Bevuilen, met vuil schoeisel naar binnen lopen. 3. Doelloos of hinderlijk heen en weer lopen. Vgl. Boek. onder garten. gnarten ook: gniffelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal