elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gastereren

gastereren , gastereren , (intransitief werkwoord) , te gast gaan, met vrienden of geburen maaltijd houden. Het gastereren is hier een oud gebruik, even als overal, doch verschilt aanmerkelijk bij vroeger. Die gastmalen zijn dikwijls nog al kostbaar, er wordt veel aan verspild. Niet zelden zijn de bezoekers dier gastpartijen talrijk, en gaan er soms verscheiden weken overheen, aleer men rond is, want “die uitgast moet ook ingasten.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gastereren , gasterére , werkwoord , Te gast gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal